1. Behandeld. Gelaserd. Gestript. En tóch terug.
Misschien heeft u het al laten doen. Laseren. Strippen. Steunkousen. De arts zei: dit is de oplossing. Het werkte — even. Tot de eerste adertjes terugkwamen. Dezelfde zwaarte. Dezelfde gezwollen enkels aan het eind van de dag. Dezelfde krampen om drie uur 's nachts.
Of misschien bent u er nog niet aan begonnen. U ziet de eerste adertjes verschijnen. U voelt uw benen zwaarder worden. U weet dat het erger wordt. En u vraagt zich af: wat kan ik doen voordat het zover komt?
In beide gevallen is het antwoord hetzelfde. Want of u nu al behandeld bent of pas begint — het echte probleem wordt niet aangeraakt.
Het probleem is niet dat de behandeling niet werkte. Het probleem is dat de behandeling de verkeerde vijand aanpakte. Laseren verwijdert de ader. Strippen verwijdert de ader. Maar geen van beide raakt aan waaróm die ader onder druk stond. Waarom de klepjes het begaven. Waarom de volgende ader precies hetzelfde doet.
Dat antwoord zit niet in de ader. Het zit in het bloed dat erdoorheen stroomt. In een eiwit dat fibrine heet. En dat geen enkele vaatchirurg meet, aanpakt of zelfs maar noemt.











